Herzieningen NL

Embed Size (px)

Text of Herzieningen NL

  • LUTHC - Herzieningen ISL 2013-2014

    1

    Herzieningen

    1. LES AUXILIAIRES DE MODE

    A. RGLE GNRALE

    Les auxiliaires de mode ne prennent pas de terminaison au singulier

    Ils fonctionnent gnralement avec un verbe lINFINITIF rejet en fin de proposition.

    B. LES VERBES ET LEUR CONJUGAISON

    Personne Kunnen

    Pouvoir (capacit)

    Mogen

    Pouvoir (permission)

    Moeten

    Devoir

    Willen

    Vouloir

    Ik kan mag moet wil

    Je/U kan mag moet wil

    Hij/Ze/Het

    /Men

    kan mag moet wil

    We kunnen mogen moeten willen

    Jullie kunnen mogen moeten willen

    Ze kunnen mogen moeten willen

    Il convient de noter que iets van iemand niet mogen doen signifie en franais que

    quelquun (iemand) inderdit de faire quelque chose (iets).

    C. EXERCICES

    Note la traduction de ces phrases

    1. Hij kan heel goed Frans spreken.

    2. De leerlingen mogen niet op school roken.

    3. Je mag op schooldagen van je vader niet uitgaan.

    4. Jullie moeten een cadeau voor Cindy kopen.

    5. Ik wil een grote kamer reserveren.

    Complte ces phrases par lauxiliaire de mode adquat. Aide-toi des traductions entre

    parenthses.

    1. We morgen naar de bioscoop gaan. (Nous avons la permission daller au

    cinma demain.)

    2. Ze allemaal een cadeau voor haar kopen. (Ils veulent tous lui acheter un

    cadeau.)

  • LUTHC - Herzieningen ISL 2013-2014

    2

    3. Je niet meegaan. De dokter niet. (Tu nas pas le droit de les

    accompagner, le docteur ne veut pas.)

    4. Hij nog zijn les studeren. (Il doit encore tudier ses leons.)

    5. Mijn broer misschien met de bus komen. (Mon frre peut ventuellement

    venir en bus.)

    6. Wat je met een dagpas doen? (Que test-il possible de faire avec une

    carte valable une journe ?)

    7. Ik niets doen van mijn ouders. (Mes parents ne me donnent la permission

    pour rien du tout.)

    8. Mijn ouders nog het eten klaarmaken. (Mes parents doivent encore

    prparer le repas.)

    9. Je dat niet doen, hoor. Je bent te jong. (Tu nen es pas capable, bien

    entendu. Tu es trop jeune.)

    10. Misschien jullie hem morgen opbellen. (Peut-tre devrez-vous lappeler

    demain.)

    11. Je haar eens uitnodigen. Ze is niet zo saai als je denkt. (Tu devrais

    linviter loccasion. Elle est moins ennuyeuse que tu penses.)

    12. ik in Brussel overstappen of rijdt de trein direct naar Oostende? (Dois-je

    prendre une correspondance Bruxelles ou bien le train va-t-il directement

    Ostende ?)

    13. Waar je je biljetten kopen? (O peux-tu acheter tes billets ?)

    14. Jan met ons op vakantie meekomen. (Jan a la permission de partir avec

    nous en vacances.)

    15. Men meer aandacht vestigen aan de verkeersregels! (Il faut accorder plus

    dimportance au code de la route !)

    16. Je heel goed Frans spreken. (Tu parles trs bien le franais.)

    17. Ik een grote kamer reserveren. (Je voudrais rserver une grande

    chambre.)

    18. Ze nog haar les studeren. (Elle doit encore tudier ses leons.)

    19. Misschien jullie hem morgen nog opbellen. (Peut-tre devrez-vous

    lappeler demain une nouvelle fois.)

    20. Ze laten hun motor opvoeren. Zo ze vlugger rijden dan de normale

    snelheid. Van de politie dat niet! (Ils gonflent leur moteur afin de pouvoir

    rouler plus vite que la vitesse normale. Selon la police, on na pas le droit !)

    21. Meer personen met de bus, de tram of de trein rijden. (Plus de gens

    doivent prendre le bus, le tram ou le train.)

    22. Ma ? ik in de zomer met mijn vrienden op vakantie gaan? (Maman ? Je

    peux aller en vacances avec mes amis cet t ?)

    23. jullie iets drinken? Ik heb cola en bier. (Vous voulez boire quelque chose ?

    Jai du coca et de la bire.)

    24. Men strengere straffen geven. (Lon doit donner des sanctions plus

    svres.)

    25. Op school je zwijgen en je niet altijd met je buurman

    kletsen. ( lcole, tu dois te taire et tu ne peux pas toujours discuter avec ton

    voisin.)

  • LUTHC - Herzieningen ISL 2013-2014

    3

    2. LES AUXILIAIRES DE MODE (TEMPORELS)

    A. RGLE GNRALE

    Comme ctait le cas pour les autres auxiliaires de mode (kunnen, mogen, moeten, willen),

    les auxiliaires de mode temporels ne prennent pas de terminaison au singulier.

    En outre, ils fonctionnent toujours avec un verbe lINFINITIF rejet en fin de

    proposition. Cest ce verbe dont on saura ainsi quil est au futur (avec zullen ) ou au

    conditionnel (avec zouden , la forme au prtrit de lauxiliaire zullen ).

    Notons toutefois que contrairement aux quatre autres auxiliaires de mode, les auxiliaires

    de mode temporels ne se traduisent pas en franais.

    B. LES VERBES ET LEUR CONJUGAISON

    Personne Zullen (futur) Zouden (conditionnel)

    Ik zal zou

    Je/U zal zou

    Hij/Ze/Het/Men zal zou

    We zullen zouden

    Jullie zullen zouden

    Ze zullen zouden

    C. CE QUE CES MODAUX EXPRIMENT

    - Zullen exprime le futur :

    Zal ze morgen even langskomen? (Passera-t-elle demain?) Zullen exprime une proposition, une suggestion :

    Zullen we eens snoepjes gaan kopen ? (Et si nous allions acheter des chiques)

    - Zouden exprime une condition peu probable :

    Als ik tijd had, zou ik je kunnen helpen. (Si jen avais le temps, je taiderais.)

    Zouden utilis avec waarom niet ou le verbe kunnen exprime une

    suggestion :

    Waarom zou je hem niet een cadeau kopen ? (Et pourquoi ne lui achterais-tu pas un cadeau ?)

    Zouden employ avec moeten sutilise pour donner un conseil :

    Ze zouden niet meer moeten roken. (Ils devraient arrter de fumer.)

  • LUTHC - Herzieningen ISL 2013-2014

    4

    D. EXERCICES

    1. ik de krant voor jou kopen? (Veux-tu que je tachte le journal ?)

    2. Hij zijn huiswerk moeten doen. (Il devra faire son devoir.)

    3. Een fuif organiseren? Ik denk dat het mogelijk zijn. (Organiser une fte ?

    Je pense que cela sera possible.)

    4. we samen gaan zwemmen? (Irons-nous nager ensemble ?)

    5. Denk je dat het regenen? (Penses-tu quil va pleuvoir ?)

    6. Als ze rijk waren, ze een mooie auto n een mooi huis kopen. (Sils taient

    riches, ils sachteraient une belle voiture et une belle maison.)

    7. Als ik tijd had, ik wel komen. (Je viendrais si jen avais le temps.)

    8. we morgen naar het station? (Irons-nous la gare, demain ?)

    9. Ik met bus vijf aankomen. (Jarriverai avec le bus numro cinq.)

    10. Ik haar een mooie dvd kunnen schenken, of misschien een mooi boek.

    (Je pourrais lui offrir un beau dvd, ou peut-tre un beau livre.)

    11. Je zou je moeder een brief moeten sturen. (Tu devrais envoyer une lettre ta

    mre.)

    12. Martha graag iets willen vragen. (Martha souhaiterait demander quelque

    chose.)

    13. Waarom jullie niet samen met vakantie gaan? (Pourquoi ne partiriez-

    vous pas en vacances tous ensemble ?)

    14. Wat je doen als je de hoofdprijs van de loterij winnen? (Que

    ferais-tu si tu gagnais le gros lot la loterie ?)

    15. Ze toch meer moeten studeren. (Elle devra tout de mme travailler

    davantage.)

  • LUTHC - Herzieningen ISL 2013-2014

    5

    3. LA NGATION

    A. GEEN

    a) GEEN est la ngation de larticle indfini een ou dun substantif utilis sans

    article. Ex. :

    - Ik heb geen boek. (Je nai pas de livre)

    - Ik neem geen suiker in mijn koffie. (Je ne prends pas de sucre dans mon

    caf.)

    - Hij is geen student. (Il nest pas tudiant.)

    b) Geen semploie galement comme ngation devant un chiffre ou un nombre. Ex. :

    - Het is geen vijf uur. (Il nest (mme) pas cinq heures.)

    - Ik ben geen tachtig jaar oud ! (Je nai (mme) pas quatre-vingts ans)

    B. NIET

    a) NIET est la ngation dun substantif utilis avec les articles de ou het ou

    avec un dterminant possessif ou dmonstratif. Niet se place aprs ces

    substantifs. Ex. :

    - Hij kent het restaurant niet. (Il ne connat pas le restaurant.)

    - Ik ken mijn vader niet. (Je ne connais pas mon pre.)

    b) Niet se place aprs un verbe conjugu. Ex. :

    - Tom werkt niet. (Tom ne travaille pas.)

    c) Niet se place aprs un pronom personnel complment. Ex. :

    - Ik ken hem niet. (Je ne le connais pas.)

    d) Niet se place avant un adjectif qualificatif attribut. Ex. :

    - Katleen is niet groot. (Katleen nest pas grande.)

    e) Niet se place avant un complment introduit pas une prposition. Ex. :

    - Jan woont niet in het dorp. (Jan nhabite pas dans le village.)

    f) Niet se place avant un adverbe, mais aprs hier et daar . Ex. :

    - Hij rijdt vandaag niet snel. (Aujourdhui, il ne roule pas vite.)

    - Ze woont hier niet. (Il nhabite pas ici.)

    g) Niet se place avant une particule sparable. Ex. :

    - Hij belt vandaag haar vriendin niet op. (Aujourdhui, il nappelle pas son amie.)

    h) Niet se place avant un infinitif. Ex. :

    - Ik kan morgen niet komen. (Je ne pourrai pas venir demain.)

    C. AUTRES NGATIONS

    Niets (rien)

    Niemand (personne)

    est la ngation de

    Iets (quelque chose)

    Iemand (quelquun)

  • LUTHC - Herzieningen ISL 2013-2014

    6

    Nergens (nulle part)

    Nooit (jamais)

    Ergens (quelque part)

    Altijd (toujours)

    D. EXERCICES

    Rends ces phrases ngatives

    1. Ik betaal 2 miljoen.

    2. Hij is de directeur.

    3. Ze werkt in de stad.

    4. He